Echtscheiding

 

Inleiding

 

Als ouders uit elkaar gaan, staat de leefwereld van ouders en kinderen op hun kop.

Ouders blijven na het samenwonen of de scheiding samen het ouderlijk gezag uitoefenen. Dit betekent dat ze gezamenlijk blijven zorgen voor de kinderen en beiden verantwoordelijk blijven voor de opvoeding van de kinderen. Ze nemen ook samen de belangrijke beslissingen over hun kinderen, bijvoorbeeld wat school betreft, vrijetijdsbesteding, communie of lentefeest, medische ingrepen of het consulteren van een psycholoog.

 

Het is daarom belangrijk dat de ouders na hun breuk in de mogelijkheid zijn om met elkaar te blijven praten. Ze moeten hun partnerconflict kunnen loslaten en elkaar terug als ouder zien.

 

 

Procedure

 

Ouders die gehuwd zijn, kunnen naar de notaris stappen om te scheiden via onderlinge toestemming. Deze procedure is recent zeer vereenvoudigd en behoort tot de bevoegdheid van de familierechtbank. Ook ouders die niet gehuwd zijn, kunnen aan de notaris vragen om een overeenkomst op te stellen rond de verblijfsregeling van de kinderen en de financiële aspecten die hieraan verbonden zijn. Deze overeenkomst wordt nadien door de familierechter bekrachtigd.

 

Daarnaast kunnen ouders zich altijd tot een bemiddelaar richten die hen kan helpen om een regeling op papier te zetten. De ouders kunnen zich hiertoe bijvoorbeeld tot een CAW wenden. Nadien dienen zij zich ook tot de familierechtbank te wenden, willen ze hun overeenkomst bekrachtigen.

 

Indien ouders niet tot een akkoord komen, kunnen zij gerechtelijke stappen ondernemen. Ze vragen dan aan de familierechter om de verblijfssituatie van de kinderen en de financiële aspecten te regelen. De procedure voor gehuwde en niet-gehuwde ouders is in grote lijnen dezelfde.

 

Het uitgangspunt blijft dat ouders samen beslissen over de kinderen. De financiële aspecten die uitmonden in een onderhoudsregeling worden op basis van een aantal factoren beslecht. Er wordt rekening gehouden met de respectieve financiële middelen van de ouders (onder meer hun maandelijkse inkomsten en onroerende goederen);  de maandelijkse kostprijs van de kinderen waarbij de leeftijd van de kinderen en de levensstandaard van de ouders in acht wordt genomen; het bedrag van de kinderbijslag en aan welke ouder dit bedrag toekomt; de concrete verblijfsregeling van de kinderen en de bijdrage in natura van de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft; de regeling inzake de buitengewone kosten; de fiscale weerslag van de betaling van onderhoudsbijdragen voor de ene ouder en de omstandigheid dat het fiscale voordeel aan de andere ouder toekomt.

 

Daarnaast kunnen er nog met uitzonderlijke omstandigheden rekening gehouden worden, bijvoorbeeld zware medische kosten voor één van de ouders. Het is wel zo dat de familierechter het verdienvermogen van elk van de ouders moet beschouwen. Het is dus niet relevant of één van de ouders in collectieve schuldenregeling is, werkloos is of deeltijds werkt.  Het is de bedoeling om de onderhoudsbijdrage op een zo’n objectief mogelijke manier te begroten. Veel hangt ook af van de elementen die de ouders ter beschikking stellen van de familierechter.

 

De familierechter kan de ouders doorsturen naar een bemiddelingskamer (“kamer minnelijke schikking”). De ouders kunnen dan samen met een rechter proberen om tot een akkoord te komen. Indien dit lukt, wordt hun overeenkomst bij vonnis bekrachtigd.

De familierechter kan ook een gerechtelijk bemiddelaar aanstellen die probeert om samen met de ouders tot een overeenkomst te komen. De zaak wordt dan voor een bepaalde periode uitgesteld. Daarna wordt ofwel de overeenkomst bekrachtigd ofwel beslist de rechter zelf over de (overgebleven) twistpunten.

 

Indien de ouders niet tot een akkoord komen, beslist de familierechter. Dit gebeurt nadat de ouders gehoord zijn. Hun aanwezigheid is verplicht. Kinderen vanaf de leeftijd van 12 jaar worden uitgenodigd om door de familierechter gehoord te worden. De familierechter kan met hun mening rekening houden maar beslist uiteindelijk zelf. Veel kinderen denken dat zij vanaf de leeftijd van 12 jaar zelf kunnen kiezen waar zij wonen. Dit is echter niet het geval.

 

De familierechter dient steeds rekening te houden met het belang van het kind. In de wet staat niet beschreven wat hieronder wordt verstaan. Dit dient door de familierechter zelf te worden beoordeeld waarbij men rekening houdt met de feitelijke situatie van de ouders en de kinderen. In het algemeen wordt aanvaard dat dit belang impliceert dat het kind met beide ouders op regelmatige basis kwalitatieve contacten kan onderhouden zonder dat daarom de ene of de andere verblijfsregeling als ideaal wordt vooropgesteld.

 

 

De verblijfplaats van de kinderen

 

De wet bepaalt dat bij voorrang moet onderzocht worden of een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling haalbaar is. Mensen spreken in dit geval vaak van co-ouderschap. Er zijn wetenschappelijke studies die aantonen dat dit de beste verblijfsregeling zou zijn voor kinderen omdat hier het conflict tussen de ouders het laagst wordt gehouden. In dergelijke regeling hebben kinderen niet de indruk dat ze moeten kiezen tussen hun ouders want ze verblijven evenveel bij elke ouder. Het is wel belangrijk dat ouders niet te ver van elkaar wonen en dat het voor de ouders ook praktisch haalbaar is, bijvoorbeeld in combinatie met professionele activiteiten. Verder vraagt dergelijke regeling ook een goede communicatie tussen de ex-partners.

 

Soms wordt deze regeling omwille van de verkeerde motieven door de ene ouder aangevraagd of door de andere ouder geweigerd. Ouders denken ten onrechte dat wanneer er een week/week regeling van kracht zal zijn, er geen onderhoudsbijdrage meer verschuldigd zal zijn aan de andere ouder. De rechter kan de ouder die over de meeste financiële middelen beschikt toch veroordelen tot een onderhoudsbijdrage of de kinderbijslag uitsluitend aan de minst vermogende ouder laten toekomen.

 

Het is ook zo dat niet elk kind zich goed voelt in een week/week regeling. Het is niet omdat het kind minder bij de ene ouder verblijft, dat deze ouder daarom een minder goede ouder zou zijn. Kwalitatief ouderschap blijft het belangrijkst. Ouders moeten stilstaan bij de wijze waarop ze zelf invulling willen geven aan hun ouder-zijn, ook wanneer ze niet meer samenzijn.

 

Niettegenstaande de promotie van de gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling, wordt de “klassieke” verblijfsregeling toch nog relatief veel uitgesproken. Kinderen verblijven dan in een periode van veertien dagen, bij de ene ouder het weekend van de vrijdagavond tot de zondagavond of tot de maandagmorgen en bij de andere ouder de overige dagen van deze periode. De vakantieperiodes worden in een klassieke verblijfsregeling tussen de ouders bij helften verdeeld. Een andere verblijfsregeling die in opmars is en zich ergens in het midden situeert, is de negen/vijf regeling. In dergelijke verblijfsregeling wonen kinderen in een periode van veertien dagen, negen dagen bij de ene ouder en vijf dagen bij de andere ouder. Dergelijke regeling komt tegemoet aan de wensen van kinderen die toch iets langer bij de ene ouder willen verblijven maar die een week/week regeling niet zien zitten.

 

 

Herziening

 

Het is zo dat een verblijfsregeling steeds kan herzien worden wanneer er nieuwe elementen aanwezig zijn. De zaak blijft immers op de rechtbank ingeschreven staan tot de kinderen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. De ouders kunnen hiertoe een schriftelijk verzoek richten tot de familierechtbank en uitleggen waarom ze menen dat de verblijfsregeling moet herzien worden. Dit heet de “blijvende saisine” van de familierechtbank. Het is dan de familierechter die zal beoordelen of er werkelijk nieuwe elementen aanwezig zijn.

 

 

Tot slot

 

Als de ouders uit elkaar gaan, blijven de kinderen met vele vragen zitten. Het is voor kinderen vooral belangrijk dat ze weten dat de breuk niet hun schuld is en dat ze niet hoeven te kiezen. De ouders moeten kinderen duidelijk maken dat het niet OF papa OF mama is maar dat het een EN-verhaal blijft. Er moet immers vermeden worden dat kinderen worden opgezadeld met een loyaliteitsconflict. Dit houdt in dat de kinderen tegen hun ouders niet meer durven zeggen dat het bij de andere ouder wel leuk is omdat ze, terecht of onterecht, denken dat ze daarmee de andere ouder gaan kwetsen. Ouders moeten in de mate van het mogelijke proberen om de kinderen buiten hun conflict te houden en vooral om respectvol over elkaar te praten in aanwezigheid van hun kinderen.

 

Lucia Dreser

30/03/2014

 

OPVOEDING